Veur elk dörp een verhoal

Afdrukken

Boerakker - Vraauw Snoakenburg

Daklozen en zwervers kennen we nu vooral van de Stad, maar ruim een eeuw geleden kende ook het Westerkwartier veel landlopers. Mensen zonder vaste verblijfplaats, die in de zomer in de vrije natuur leefden en in de winter ‘s nachts hun toevlucht zochten in een hooikiep of in boerenschuren achter de warme koeien. Meestal ging het om mannen, maar in de buurt van Boerakker zagen ze vaak Vraauw Snoakenburg lopen. Een markante vrouwelijke verschijning op ‘t platteland van het Westerkwartier.


Van een afstandje hoorden de mensen haar al aankomen. Al haar bezittingen had ze op haar rug in een tas, een  mok, een oud keteltje en een teller rammelden aan een touw dat om de middel haar ouwe kleding bijeen hield. Zij hield zich meestal wat afzijdig van het volk, maar had een paar adresjes waar ze mocht slapen in de schuur en waar de vrouw des huizes haar soms wat eten en kleren toe stopte.

 


In de zomerperiode kon Vraauw Snoakenburg prima leven van wat de natuur haar bracht. Ze plukte soms stiekem wat appels uit de tuin van de dominee, snoepte van de bramen langs  de weg en nam vast ook wel eens  een biet of een wortel uit een tuin mee. In het voorjaar hielp ze boeren bij het stalschonen, zomers was ze aan ‘t hooien en werkte mee aan de oogst, in ruil voor voedsel en een slaapplek.


‘Goeiedag boer, hemmen je ok waark veur mij met staal schoonen?’

‘ Wis vraauw Snoakenburg, goa moar noar de eerste knecht, die zet Joe wel aan t waark. Magst wel sloapen ien de stroschuur. Leg doar dien spul moar del. En om  6 uur kinst eten met de knechten en meiden.’


Ja zomers lukte het wel, maar  in de winter werd het lastiger. Tegen de schemer zocht ze dan een boerderij op, wachtte tot de boer en knecht naar binnen gingen en dan glipte het oude vrouwtje naar binnen, sliep in de stal  en zorgde dat ze voor de ochtend weer weg was.


Maar op een dag was ze een beetje grieperig en belandde in de schuur in diepe slaap. De boer kwam vroeg de stal in een begon de beesten te voeren. Hij stak zijn hooivork in een bult hooi toen ineens een gedaante omhoog sprong van onder het hooi. Hij schrok zich wild!


‘Aauw bliksem, de prikst me ien e  kont’, riep de hooigeest.

‘ Moar vraauw Snoakenburg, ik wis ja niet dat joe hier wadden’.

‘Goa moar snel ien huus dan ken de meid kieken of er jodium en verband om moet.’


Deze keer liep het goed af maar...

Op een avond, het was Walpurgisnacht, wanneer mens en dier maar liever binnen zijn, omdat de heksen dan vliegen, sloop Vraauw Snoakenburg naar een boerenschuur nabij Boerakker. Ze had gezien dat de boer in huis was gegaan en dacht dat de kust veilig was. Met haar verweerde, magere handje, dat leek op een vogelklauw, drukte ze op de klink en deed de deur zonder lawaai open. Voorzichtig liep ze de donkere schuur in, maar.... struikelde over een emmer. De emmer rammelde over de vloer en haar mok, pannetje en bord maakten nog meer lawaai. Direct hoorde ze de harde gil van een meisje en zag in het schemerdonker de dochter van de boer en een jongeman van de hooizolder komen.

Zo snel als ze kon glipte de oude vrouw naar buiten en liet zich niet weer zien.


Toen de boerendochter later zelf boerin werd en vaker over de toestand van de wereld sprak met de hoge heren van het dorp, deed ze haar beklag over ‘al die struners om de deur’. De burgemeester en de dominee waren het roerend met haar eens dat er een einde moest komen aan de landloperij en gaven de veldwachters de opdracht om Vraauw Snoakenburg op te pakken.

Ze belandde in een inrichting, waar ze maar niet  goed wennen kon aan het ‘gekooide leven’ en al snel overleed. Het einde van de laatste landloopster van t Westerkwartier.


Als je nu van Lucaswolde naar Boerakker rijdt kom je langs de weg allerlei beelden van staal tegen. Eentje is van een oude gebogen vrouw, Vraauw Snoakenburg. Ze leeft nog steeds voort rond Boerakker.